Elke soort probleemjeugd een eigen aanpak

De gedrukte versie van onderstaand artikel:
[Staatscourant: Elke soort probleemjeugd een eigen aanpak - deel 1]
[Staatscourant: Elke soort probleemjeugd een eigen aanpak - deel 2]

Nederland lijkt in de ban van de probleemjongeren. Cijfers over alcoholgebruik zijn schokkend en in sommige wijken moet de overheid haar best doen om niet de controle op straat kwijt te raken. Het Kabinet heeft allerlei plannen om de jeugd weer op het rechte pad te krijgen. Van elektronische dossiers tot lik-op-stukbeleid. Maar je kunt de probleemjongeren in ons land niet over één kam scheren, stelt socioloog René Veenstra van de Rijksuniversiteit Groningen en verbonden aan het onderzoeksproject TRAILS.

Wie zijn de probleemjongeren precies?
‘Als we het over antisociaal gedrag hebben, dan is het belangrijk om twee groepen te onderscheiden. Je hebt aan de ene kant jongeren die van jongs af aan agressief zijn, en automatisch als puber probleemgedrag vertonen en als je er niks aan doet waarschijnlijk als crimineel eindigen. Deze groep moet je onderscheiden van de jongeren die in de puberteit tijdelijk antisociaal gedrag vertonen. Ze hebben heel verschillende achtergronden. De eerste groep noemen we de levensloop-persistente groep, waar probleemgedrag min of meer aangeboren is. Het kan bijvoorbeeld gaan om stoornissen in de hersenen, een moeilijk temperament of zwakke verbale vermogens. Het erge is dat veel van de jongeren met een ongunstige aanleg ook nog eens opgroeien in gezinnen die ook niet zo lekker in elkaar zitten. Gezinnen waar bijvoorbeeld allerlei sociale vaardigheden ontbreken en frustratie en gebrek aan zelfbeheersing normaal zijn. Als we een koppeling maken naar het beleid van het Kabinet, dan zijn dit de jongeren die je wilt in je risicoanalyses, die je zo vroeg mogelijk moet opsporen. De levensloop-persistente groep vormt ongeveer 5% van de jongens, en 1% van de meisjes in ons land.’

Zijn die 5% van de jongeren dan een soort verloren gevallen? Niet meer te redden?
‘Je kunt het zo zwaar maken als je zelf wilt natuurlijk, maar feit is dat ze wel met een achterstand ter wereld komen. Natuurlijk is het niet zo dat als je ze op 2 of 3-jarige leeftijd screent je met 100% zekerheid kunt zeggen dat ze in de toekomst criminelen zijn. Er is nooit zekerheid. Er kunnen altijd keerpunten in het leven zijn. Kinderen met een moeilijke achtergrond kunnen een leerkracht treffen die hen vooruit weet te helpen of misschien krijgen ze extra steun krijgen van familieleden. Het ligt absoluut niet vast. Maar vroege steun is erg belangrijk. Als een kind heel impulsief is of verbaal niet zo sterk en het leert bijvoorbeeld in groep 1 van de basisschool van zich af te bijten met de vuisten, dan is dat de les voor later: dingen oplossen met vuisten in plaats van woorden. En dat kan dan van kwaad tot erger gaan.’

En hoe zit het precies met die andere grotere groep jongeren met probleemgedrag?
‘Een derde van de jongeren, bijna evenveel meisjes als jongens, doet in de puberteit dingen die niet mogen. Op 10-11-jarige leeftijd zijn ze nog brave kinderen, maar in de puberteit gaan ze experimenteren met dingen als drugs, vernielingen, en stelen. Dingen die niet horen. Maar zodra het leven voor hen wat serieuzer wordt, naarmate ze ouder worden, komt het wel weer goed met hen. Zij beschikken namelijk wel over positieve vaardigheden die ze ook zullen gebruiken. Bovendien onderhouden ze binnen hun eigen vriendengroep ook goede relaties.’

Wat is het toch met de puberteit dat goede jongeren op het slechte pad geraken?
‘In de puberteit ontstaat een kloof. Je lichaam verandert en je wordt volwassen, sterk en groot. Tegelijkertijd mag je nog heleboel dingen niet omdat je niet volwassen bent. Volwassenen hebben bovendien een hele hoop verwachtingen van je, waar je vaak niet aan kan voldoen. De basisschool is heel erg beschermend. Als je op het voortgezet onderwijs komt moet je plotseling veel meer zelf dingen regelen. We verwachten maar dat de kinderen het zelf wel allemaal redden. Maar zijn ze daar wel allemaal aan toe? Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat de hersenen op die leeftijd nog helemaal niet zo ontwikkeld zijn als die van volwassenen, waardoor bepaalde vaardigheden nog niet helemaal aanwezig zijn, zoals dingen kunnen plannen. Tegelijkertijd is het ook de levensfase waarin de ouders op de achtergrond geraken. Het is juist belangrijk om de jongeren meer structuur te geven in die leeftijd. Jongeren zijn namelijk onzeker en te veel vrijheid versterkt dat.’

Kun je dan concluderen dat wanneer er meer opvoeding is je kunt voorkomen dat de jongeren probleemgedrag gaan vertonen?
‘Dat is wat kort door de bocht. We moeten ons nu eenmaal realiseren dat jongeren in de puberteit dingen doen, waarvan we allemaal zeggen dat ze niet mogen. Dat gebeurt toch wel een beetje van nature. Pubers willen nu eenmaal grenzen verkennen. In onze samenleving zijn geen rituelen meer rondom de volwassenheid. ‘Als jullie ons niet testen, dan doen wij het zelf wel’, zeggen de pubers. Als ouders en samenleving moet je dan niet meteen op tilt slaan. Als eerste moet je je afvragen, waarom doet een kind dat? Heeft het alleen maar slechte eigenschappen? Of is het kind alleen aan het uitproberen en heeft het genoeg leuke kanten? Je moet jongeren niet meteen afrekenen op wat ze hebben gedaan.

Met andere woorden bij een probleemjongere moet je eerst gaan kijken bij welke groep die hoort?
‘Ja, dat is heel belangrijk. Als je jongeren in die puberfase oppikt dan moet je kijken naar het totaalplaatje. Heeft de jongere een hele voorgeschiedenis of is het probleemgedrag iets wat in de puberteit is opgekomen? Als het laatste het geval is, laat ze dan na een voorval hun excuus aanbieden of een brief schrijven aan het slachtoffer. Dat werkt al enorm goed voor deze groep, terwijl harder aanpakken juist averechts werkt. Bij de levenslooppersistente groep is het juist belangrijk vroeg te investeren. Dat begint dus al bij het screenen van baby’s en peuters. Dat betaalt zich later uit. We weten dat sommige kinderen risico’s lopen op jonge leeftijd. Als je daar niks aan doet dan worden dat dure mensen voor de samenleving. Door juist vroeg te investeren, voorkom je dat de problemen zich opstapelen. Zorg bijvoorbeeld dat dat soort kinderen enkele dagen in de week naar de crèche gaat. ’

Als we eerst moeten kijken tot welke groep de probleemjongere behoort, klinkt het alsof we ook met twee maten moeten meten bij de aanpak?
‘Ja, we moeten verschil maken. Lik-op-stukbeleid is niet goed voor jongeren, die op zich goed in elkaar zitten, maar in de puberteit grensverkennend gedrag gaan vertonen. Als je deze jongeren meteen in een heropvoedingskamp plaatst, ben je verkeerd bezig. Als een jongere normale prestaties heeft, sport en een goede band met zijn ouders heeft moet je die anders aanpakken. Meestal hebben ze de schrik al te pakken als hun ouders erachter komen wat ze hebben gedaan. Laat ze eerst maar eens een goed excuus geven. Als je ze strenger aanpakt dan heb je het meer over vergelding dan over correctie van deze jongeren. Omgekeerd bij de jongeren die tot de 5% behoren is het probleemgedrag deel van een veel groter probleem en moet je verder kijken. Kortstondige oplossingen helpen daar niks. Bij hen gaat al veel meer mis, het is een totaalpakket. Dus voor hen is het goed veel hulp in te zetten en daar vroeg mee te beginnen.’

Dus we moeten het oogluikend toestaan als een jongere in zijn puberteit een bushokje vernielt?
‘Ze zijn natuurlijk wel schuldig, dat moet je niet goedpraten. Maar je moet wel een maatregel toepassen, die past bij wat er is gebeurd. We moeten voorkomen dat het erger wordt. Zoals in heropvoedingskampen, waar ze in aanraking met de levenslooppersistente probleemjongeren komen en waarvan ze vooral slechte eigenschappen kunnen overnemen.’

Is de groep probleemjongeren van 5% alleen te vinden in de armere wijken, de achterstandswijken?
‘Het zou te simpel zijn om te zeggen dat alle probleemjongeren in die wijken te vinden zijn. De verscheidenheid in de wijken is te groot om dat te stellen. In sommige straten gaat alles goed, in andere minder. Het goede nieuws is dat bijna alle kinderen in ons land bij de consultatiebureaus komen. Dus we hoeven ze niet aan te spreken op uit welke wijk ze komen, maar kunnen naar het functioneren van individuele kinderen en gezinnen kijken. Overigens kan niet genoeg worden gezegd dat het met het gros van de kinderen in ons land goed gaat. Als het gaat om antisociaal gedrag dan hebben we het over een kleine groep jongeren. Daarvan komen dus de meeste weer goed terecht. In grote lijnen gaat het goed met de Nederlandse jeugd.’

Hoe zit het dan met de beeldvorming van de losgeslagen Nederlandse jongere, met het overmatige alcoholgebruik, de groepsverkrachtingen, en de jongeren die de baas op straat zijn? Zijn er niet juist meer probleemjongeren bijgekomen de laatste jaren?
‘De cijfers wijzen er niet op dat er meer antisociaal gedrag voorkomt. Ze zijn juist heel stabiel. Alleen als je kijkt naar de politieregistraties is het aantal probleemgevallen gegroeid. Maar dat komt omdat de politie de aangiftes nu daadwerkelijk aan het verwerken is. Het algemene beeld, en dat is ook internationaal te zien, zoals in de Verenigde Staten, is dat er geen stijging is van het aantal probleemjongeren. Ik heb ook het idee dat de opvoeders van nu teruggekomen zijn van de laissez faire-opvoeding, waarbij de jeugd vooral veel vrijgelaten wordt. Ook van het idee om thuis te beginnen met alcohol drinken omdat de jongeren dan meer met mate zouden leren drinken stappen we langzaam af. Alles wijst erop dat dit een domme strategie is. Jongeren onder de zestien moeten gewoon nog niet aan de alcohol. De politiek heeft dat ook steeds meer door. Grenzen stellen, dat is toch wel belangrijk. Kortom, ik denk niet dat we ons extra zorgen moeten maken. Wel is het zo dat sommige incidenten ernstig zijn.’

Dus bij pubers moeten we gewoon weer strenger de regels opstellen?
De puberteit is tijdelijk, dat moet je onthouden. Als je als ouders bizarre maatregelen gaat stellen en je kind nooit meer ’s avonds de deur uit laat gaan kun je je afvragen of dat een gepaste maatregel is. Voordat je het weet keert het kind zich tegen je en versterk je het probleem. Ouders moeten een open band hebben met hun kinderen. Dat is het allerbelangrijkst. En we moeten nadenken over de inbedding die we ze geven. Als voorbeeld denk ik aan bijbaantjes. Is dat nu altijd gunstig? Wat je vaak ziet is dat ze een baantje te midden van andere jongeren hebben, bijvoorbeeld vakkenvullen, en daar dan een nieuwe jongerencultuur vormen. Het geld dat ze daarmee verdienen pompen ze er vervolgens in het weekend weer door. Het is zo helemaal geen initiatie in de volwassenwereld. Jongeren kunnen veel beter hun tijd besteden aan sport en school.

En wat het kabinet voor ogen heeft?
‘De plannen voor risicoanalyses en kinddossiers vind ik goed. De consultatiebureaus houden zich nu ook al bezig met dossiers van kinderen. Die dossiers zijn nu van papier, maar door het elektronisch te maken kun je kinderen makkelijker in de gaten blijven houden. En bewaar dat soort gegevens voor langere tijd. Voor de risicoanalyse in de puberteit is het van belang om te weten hoe iemand als kleuter was en uit wat voor gezin iemand komt. Alleen zo kunnen we chronisch en tijdelijk probleemgedrag van elkaar onderscheiden.’

Pieter Verbeek